nl en de de de
15 jaar stichting de ijssellinie

De stuwen

Na een aantal proefnemingen werd besloten tot drijvende stuwen. Het drijvende gedeelte van de stuw bestond uit een stalen, open drijfbak van ca 8 meter hoog en ca 30 meter breed. De lengte werd verkregen door het aaneenschakelen van prefabsecties. De stuw in de Waal kreeg een lengte van 230,50 meter, de beide andere, Arnhem en Olst, een lengte van 86,50 meter.

De stuwen bestonden verder uit twee pijlerdammen in de uiterwaarden, afgesloten met een landhoofd en een caisson met beweegbare kleppen. De caisson zou bij oorlogsdreiging met lieren tussen de beide landhoofden worden getrokken en daarna worden afgezonken, waarna de kleppen zouden worden gesloten. De pijlerdammen bestonden uit een brug met beweegbare kleppen tussen de pijlers. Bij oorlogsdreiging zouden ook deze kleppen worden gesloten.

Om de druk, die door het aanzwellende water werd uitgeoefend, te weerstaan zou stroomopwaarts een grote hoeveelheid zand worden opgespoten, terwijl stroomafwaarts een aantal daartoe te vorderen binnenvaartschepen tegen de caisson tot zinken zouden worden gebracht. Voor de caissons en de zandzuigers werden, stroomopwaarts van de pijlerdammen, havens gegraven.

Ir. J. van Overeem ontwierp o.a. de pontonsecties waaruit de caissons werden samengesteld. 
Voor de Waalstuw werden 26 van die secties gebruikt, waardoor een caisson van circa 230 meter lengte (zo breed is de rivier ter plaatse), 9 meter hoogte en 30 meter breedte ontstond. Voor zowel Rijn als IJssel waren 10 van die secties nodig. De benodigde proeven werden genomen in het Waterloopkundig Laboratorium in Delft, met een model op schaal 1:10 en met een enkele echte pontonsectie in de schutsluis naast de stuw bij Lith aan de Maas. In geval van oorlogsdreiging moesten die caissons tot zinken worden gebracht boven een geprepareerde vlakke asfaltlaag in de rivierbodem. Ze pasten precies tussen twee landhoofden, die via pijlerdammen in verbinding stonden met de vaste wal. Zowel de pijlerdammen als de caissons waren voorzien van beweegbare kleppen die na het afzinken systematisch moesten worden gesloten.

Binnen het jaar was dat project vrijwel gerealiseerd en werd Plan D toegevoegd: de stuw bij Olst. In 1953 was de complete IJssellinie in staat van paraatheid.